Inspiratie bij afscheid nemen

blogpost image

Uit: “Nog vele jaren, de symboliek van elk levensjaar”, door Hans Korteweg: Over de laatste levensfase- tot het eeuwig leven: ”Als de dood niet meer ligt aan de grens van het bestaan, is het bestaan geheel wat het is. Er is geen belofte of dreiging meer van buitenaf: geen toekomst die iets kan brengen dat er niet is, geen ander die iets goed of kwaad kan maken. De tijd is eeuwigheid geworden. Het bestaan is eeuwig leven. Rust.

Het kind in de eerste levensfase verliet het paradijs.
De weg terug is gevonden.
Inkeer tot eenheid.
Het is volbracht.”
"Es sandte mir das Schicksal tiefen Schlaf.
Ich bin nicht tot, ich tauschte nur die Räume.
Ich leb in euch, ich geh in eure Träume,
da uns, die wir vereint, Verwandlung traf.
Ihr glaubt mich tot, doch dass die Welt ich tröste,
leb ich mit tausend Seelen dort, an diesem wunderbaren Ort,
im Herzen der Lieben. Nein, ich ging nicht fort,
Unsterblichkeit vom Tode mich erlöste."

Auteur: Michelangelo Buonarroti, 1475-1564 - Rime


"Je liefde, warmte en zorgzaamheid
kon je aan vele mensen kwijt.
Jij was het liefste dat wij hebben bezeten,
jarenlang de spil van ons bestaan.
Vraag ons niet dat te vergeten
en gewoon weer door te gaan."

"Je hielp waar je kon
aan wat licht en aan wat zon.
De goede voorbeelden die jij hebt gegeven,
voegen een extra waarde toe aan jouw leven."

"Als je door verdriet wordt neergeslagen
Het waarom van dit aan niemand kunt vragen
Dan is het goed dat je zoveel goede mensen ziet
Ook al vinden zij de juiste woorden niet.”


Want wat is sterven anders dan naakt staan in de wind
en samensmelten met de zon?
En wat is ophouden met ademen anders
dan de adem bevrijden van zijn rusteloze eb en vloed,
opdat hij ombelemmerd oprijst en zich ontvouwt en op zoek gaat naar God?
Alleen wanneer je uit de rivier van stilte gedronken hebt, zul je waarlijk zingen.
En wanneer je de top van de berg bereikt hebt,
pas dan zul je beginnen met klimmen.
En wanneer de aarde je ledematen zal opeisen,
pas dan zul je werkelijk dansen.
door Kahlil Gibran